Verslag lezing varroatolerante bijenvolken 10/12/2013

 

28 personen waren, ondanks de dichte mist, toch nog bij Frans ter Huurne in Buurse gekomen voor de lezing, Varroatolerante bijenvolken, die werd gegeven door Henk Kok. Henk is bestuurslid van ‘De Duurzame Bij’ en doet veel onderzoek naar een mogelijke samenlevingsvorm van de honingbij met de varroamijt. De aanwezigen kwamen uit Varseveld, Enschede, Hengelo , Delden en Haaksbergen. Zelfs een van de gasten kwam uit Duitsland.

De varroa mijtziekte wordt veroorzaakt door de ectoparasiet Varroa destructor. Deze exotische parasiet is een belangrijke bedreiging voor de Europese honingbij en de aanwezigheid van deze mijt in alle bijenvolken zorgt voor een enorme druk op de gezondheid van de bijenvolken. Op dit moment wordt er veel onderzoek gedaan naar varroa tolerante / varroa resistente bijenvolken. Een belangrijk onderdeel hiervan is de ontwikkeling en optimalisatie van praktische methoden voor bijenhouders om deze mijt te bestrijden.
Tijdens de lezing werd het al snel duidelijk dat het aantal mijten in een bijenvolk niet zo zeer van belang is maar wel het aantal mijten wat er uit een bijenvolk valt.

Je kunt op dit moment zelfs de voorzichtige conclusie trekken dat als er geen mijten meer vallen er hoofdwaarschijnlijk ook geen broed meer aanwezig is in het bijenvolk en dat de varroamijten dan massaal op de bijen zitten. Alle bijenvolken bevatten anno 2013 namelijk varroamijten.
Tijdens de lezing kwam aan de orde: Wat is er nu eigenlijk aan de hand, Hoe tellen van de mijten, Berekeningen maken van het telresultaat, De hieruit te trekken conclusies, Wat zijn de verwachtingen, Eventuele bestrijding en uiteindelijk De selectie van bijenvolken. Dit allemaal volgens onderstaand opzet.

Als wij de bijenvolken niet bestrijden tegen de varroamijt zal 80% van de volken de eerste jaren sterven. Daarom kun je (moet je eigenlijk) selectie van bijenvolken toe passen die een bepaalde varroa-tolerantie opgebouwd hebben waardoor de voortplanting van de varroamijt verminderd zonder gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Mijten tellen
Voor de selectie van bijenvolken wordt gebruik gemaakt van het tellen van aantal mijten dat dagelijks op de varroabodem valt. De verschillen in groei van de mijtval gedurende het seizoen is een criterium dat verschillen tussen de volken op één stand zichtbaar maakt. Een geringe mijtval kan aanleiding zijn om het volk niet te bestrijden en hiervan verder te telen.
Selectie vind dus plaats van bijenvolken die niet bestreden worden tegen de varroamijt en de kleinste groei in de mijtenval vertonen. Bestrijding vind alleen plaats zodra de schatting van de (te verwachten) mijtval boven de grenswaarde ligt. Na een bestrijding wordt uiteraard gecontroleerd of de bestrijding effectief is geweest.



Bovengrens vallende mijten. Wanneer bestrijding toe passen.

 

Na de winter, bij het aanzetten van het eerste werksterbroed, stappen de mijten over van de bijen in het werksterbroed. In het voorjaar, bij het verschijnen van de darren, stappen de mijten over naar het darrenbroed in een groeiend broednest. Na de zomer, bij het vertrekken van de darren uit het volk, stappen de mijten over naar het werksterbroed. Is er in de winter geen broed meer aanwezig dan stappen de mijten over op de bijen. Je dient dus de mijtval te tellen over het gehele jaar om goed inzicht te krijgen.
Normaal is een wekelijkse telling voldoende. In het voorjaar en de zomer, wanneer het broednest toeneemt, en er meer afval op de bodemlade valt, is het aan te bevelen om twee keer, of zelfs drie keer, in de week te tellen. Nadeel van deze methode is dat het veel werk is en niet door alle imkers toegepast kan worden. De mijtval kun je het beste tellen door gebruik te maken van een loep.

Door samenwerking van imkers en onderzoekers wordt het mogelijk om op grote schaal varroa-tolerante volken te selecteren en te vermeerderen. In Duitsland zijn er nu diverse landbevruchtingstations met vele varroa-tolerante darrenvolken. Ook in Nederland zijn in 2013 de eerste varroa-tolerante bijenvolken geconstateerd

Enkele belangrijke eigenschappen van de varroamijt die tijdens de lezing naar voren kwamen zijn:
-    Een mijt leeft 70 tot 80 dagen
-    Een mijt stapt tot vier keer in een broedcel
-    Mijten die verdwijnen door bijensterfte kunnen zich niet meer vermenigvuldiging
-    Mijten die door vervliegen binnen komen vergroten de mijtpopulatie
-    De mijtpopulatie groeit door vermenigvuldiging in het broed
-    Mijten die op de bodemplaat zijn gevallen komen hoofdzakelijk uit het broednest
-    De hoogte van vermenigvuldiging is variabel en niet bekend
-    De omvang van de mijtenpopulatie is niet bekend
-    In de winter leven de mijten gewoon door
-    Mijten kunnen 10cm hoog / ver springen
-    Mijten die buiten de kast terecht komen overleven dit niet. Keren niet terug in de kast.
-    Mijten zitten normaal niet op darren maar gaan bij voorkeur op een werksterbij zitten. Zo vind de overstap in een broedcel eenvoudig plaats
-    Fluctuatie (pieken en dalen) van mijtval lijkt bepaald te worden door de dracht en het leggedrag van de koningin
-    Hoeveel(heid van aantal) mijten er vallen is niet van belang. Alleen de groei (in de mijtval).
-    Oorwormen ruimen mijten op de bodemlade op wat de telling kan beïnvloeden. Soms is de overlast zo groot dat de imker maatregelen moet nemen.
-    Waarschijnlijk is een hogere: broednesttemperatuur, luchtvochtigheid (> 65 %) en een hoog co2 gehalte niet bevorderlijk voor de voorplanting

Wat kun je uit de telresultaten halen:
De stijging van het totale aantal gevallen mijten heeft een relatie met de stijging van de omvang van de reproducerende mijten.
Henk heeft een methode ontwikkeld door te kijken naar de groei van de totaal aantal gevallen mijten en hiervan de stijging te berekenen. Het aantal gevallen mijten zegt niets over het stijgingspercentage. Ook niet over de omvang van de voortplantende mijtpopulatie omdat je niets weet over het verlies aan mijten door niet terugkerende bijen en je de levensduur van de mijt niet kent. (de variërende voortplanting van de mijt).

Wat bepaald nu eigenlijk het groeigedrag van de mijt
-    Varroa hygiënisch gedrag van een bijenvolk
-    Levensduur van een bij
-    Het poetsgedrag van een bij
-    Omvang werksterbroed cq. darrenbroed
-    Duur van het gesloten broedstadium. Bij een dar langer gesloten dus meer groei.
-    Aantal huisbijen cq. haalbijen
-    Regulatie van temperatuur en luchtvochtigheid door het volk
-    Broednesttemperatuur
-    co2 gehalte in het bijenvolk
-    Zwerm gedrag
-    Roof gedrag
-    Het weren van vreemde bijen met mogelijke mijten op het lichaam

De truc is nu om van de getelde mijten een lijn te bereken die de groeifactor zo nauwkeurig mogelijk benaderd. Hier komt een beetje wiskunde aan te pas. Als eerste wordt de periodieke telling overgezet naar mijtval per dag. Vervolgens wordt hiervan een 12 dagelijkse voortschrijdend gemiddelde (gemiddelde van 12 opeenvolgende dagen) van berekend.
Dit gemiddelde wordt telkens opnieuw berekend als er nieuwe getallen aan de tijdreeks worden toegevoegd. Vandaar de naam voortschrijdend gemiddelde. Gekozen is voor 12 dagen wat overeenkomt met aantal dagen gesloten werkstercel. Om deze lijn gaat het eigenlijk. Niet om de pieken en dalen van de telling.
Vervolgens wordt de groeifactor (b) berekent volgens de kleinste kwadraten methode van ln(y)=a+b*x.
   y =     Aantal gevallen mijten per dag.
   x =     Het dagnummer.
   b =     De berekende richtingscoëfficiënt dat aangeeft de groei van de mijten
             Groeifactor (b) in voorjaar 0,029 en in het najaar 0,058.
Van deze groeifactor wordt de correlatie bepaald. 0,97 geeft aan dat de getelde hoeveelheid mijten voor 97% op de lijn liggen. Voor nauwkeurige bepaling dient dit getal groter dan 95% te zijn.

Eigenschappen van de groeifactor van de varroamijt:
-    Mijtengroei is onafhankelijk van de gemiddelde mijtval
-    Mijtengroei is onafhankelijk van de omvang van het volk
-    De groei van de mijtval is in het voorjaar lager dan in het najaar doordat er in het najaar geen darren meer in het volk zijn, en mijtsterfte in werksterbroed hoger is.
-    Bepaald wanneer bestrijding plaats moet vinden
-    Bepaald de invloed van de bestrijding op de groei. Door bestrijding neemt mijtval toe.
-    Een bijenvolk met een lage groeifactor levert nakomelingen met lage groeifactor

Varroa-Selectieve-Hygiene (VSH) is een belangrijk mechanisme van resistentie tegen varroa mijten. Enkele eigenschappen zijn:
-    VSH gedrag treed eerder op bij kleinere celformaat
-    Honingkamer cellen wel huidig formaat.
-    Bijenvolken die iets doen met mijten, tonen op klein cel formaat VSH eigenschap
-    Het is van belang om gericht te gaan selecteren op volken met VSH eigenschap
-    Kleine verhouding broednestgrootte/aantal bijen kan bepalend zijn
Meer informatie over VSH kunt u hier vinden:

Selectiecriteria van het bijenvolk waarvan verder geteeld kan worden:
-    Het betreffende bijenvolk heeft zich goed en normaal ontwikkelt
-    Laagst gemiddelde mijtval
-    Groei van mijtval is het laagst met de laagste groeifactor in het najaar.
-    Volksontwikkeling is het grootst
-    Honingopbrengst is goed
-    Raatvastheid is goed
-    Zachtaardigheid
-    Afwezigheid van ziekten.

 


Bovenstaande grafieken zijn de wekelijkse tellingen (5 bijenvolken) van imker Lankheet. Hieraan is het volgende af te lezen:

    April tot juni
Veel mijtval dus veel broed in de volken
    Juni tot augustus Weinig mijtval bij voldoende broed. Elk volk heeft een keer gezwermd en was er sprak van hoge buitentemperaturen.
Mogelijk zaten de mijten massaal op de bijen. Tevens mijtbestrijding toegepast met de darrenraat methode.
    Augustus tot oktober Bestrijding met thymovar daardoor veel mijtval
    Oktober tot eind 2013 Door mijtval in deze periode kun je concluderen dat er steeds broed aanwezig is in volken
    Eind 2013
Bestrijding met Oxaalzuur bij een buitentemperatuur van 2 graden

 

In 2013 8727 mijten geteld maar in 2014 totaal 28529 mijten.

 

Het is bekend dat instappende mijten soms niet vermenigvuldigen en wellicht daardoor niet doodgaan. Ook is bekend dat mijten soms gewoon op de bijen blijven zitten terwijl er wel broed is. Misschien dat temperatuur, vochtigheid en CO2 een van de omgevingsfactoren zijn die als reden aangewezen kunnen worden waarom er geen mijten vallen. Trouwens, het stofje waardoor mijten geen eitjes leggen is bekend. Daar en tegen zitten de meeste mijten in het voorjaar in het darrenbroed en nauwelijks in het werksterbroed.


Nieuwste methode van bepalen van aantal mijten in broedcellen gebeurd met een CT-scanner. Uiterst effectief alleen kostbaar, € 5000,- per 3D scan. De prijs is €125,- per uur waarin 3 scans gemaakt kunnen worden.
Van deze CT scan kan vervolgens een plattegrond berekent worden waarop is aangegeven in welke cellen de mijten zitten. Deze plattegrond kun je vervolgens over het betreffende raam leggen om te controleren of de bijen de mijten uit de cellen hebben geruimd, of dat de mijt geen nakomelingen heeft, want die laten de bijen zitten. De CT-scan is trouwens niet schadelijk voor de larfjes.

 

De volledige presentatie kunt u in pdf formaat hier vinden.
De foto’s en presentatie werden beschikbaar gesteld door www.duurzamebij.nl. Meer informatie hierover kunt u aanvragen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.