Korfvlechtcursus

 

Bij voldoende deelname wordt er door de vereniging een korfvlechtcursus gegeven in het gebouw van het IVN, aan het Dievelaarslaantje.
Tijdens deze cursus leert u de basistechnieken voor het vlechten van een bijenkorf of een schepkorf. Met dezelfde techniek kunt u echter ook een mand (zonder hengsel) vlechten. Er wordt gevlochten met roggestro en pitband.

                                  



Bijen (Schep)korf
De bijenkorf vertegenwoordigt een oude vorm van spiraalvlechtwerk. Hij werd in de middeleeuwen vaak toegepast maar aan de vorm is echter weinig veranderd. Tegenwoordig werken de meeste imkers met een bijenkast, die het voordeel biedt dat de imker de bijen niet moet doden om de honing te oogsten. Korven zijn wel niet meer zo voor de hand liggend, bedoeld als onderkomen voor de bijen, maar een schepkorf kan toch nog wel eens handig zijn. Zeker als het zwermen geen onbekend verschijnsel is. Schepkorven kun je kopen maar je kunt een schepkorf ook zelf maken en wat is nu niet mooier dan een zwerm scheppen in een door jezelf gevlochten schepkorf of kieps.
Een bijenkorf is praktischer dan de bijenkast, wanneer belangstellende bezoekers de bijen met hun ratenbouw willen bewonderen. De imker hoeft dan alleen maar de korf op te pakken en schuin te houden. De bijen worden nauwelijks gestoord.

Je kunt een (schep)korf vlechten van stro of van buntgras. Dit oude handwerk, het vlechten van korven, wordt ook wel spiraalvlechten genoemd. In deze vlechttechniek wordt immers een bundel stro ononderbroken spiraalsgewijs op elkaar gelegd en met een vlechtband vastgebonden.
Bij dit spiraalvlechtwerk gebruiken we twee soorten materiaal, enerzijds de bundel die samengebonden wordt en anderzijds de vlechtband waarmee we samenbinden. Als bundel wordt gewoonlijk roggestro of buntgras gebruikt en als vlechtband rotanschil of braamspleut.

    


Van alle strosoorten is roggestro, hoe fijner hoe beter, het meest geschikte materiaal voor het vlechten. Roggestro is lang stro, dat vroeger gebruikt werd voor het maken van onder andere bijenkorven, manden, strooiendaken en stroproppen ter afdichting tegen sneeuw van daken met holle dakpannen.
Rogge wordt meestal verbouwd op zandgrond en bestaat uit de droge bloeistengels van graanplanten. Bij het maaidorsen van graan blijven de plantenstengels met de uitgedorste aren achter op het land. Deze worden tot grote ronde balen opgerold of tot rechthoekige strobalen samengeperst en is daardoor minder geschikt voor het vlechten. Ook wordt meer en meer stro ondergeploegd.
Het beste kun je daarom een afspraak maken met een landbouwer om wat roggestro te reserveren voor het vlechten.
Roggestro is bijzonder geschikt voor het vlechten, omdat het buigzaam en lang is. Bovendien heeft het een goudgele glans met vele schakeringen. Jammer genoeg verdwijnt deze glans op den duur.
Andere strosoorten zoals tarwe en haver zijn stugger en korter en daarom minder bruikbaar. Wanneer we het stro willen bewaren, moeten we het eerst drogen. Vochtig stro gaat schimmelen en verkleuren.
Ook moeten we er voor zorgen dat er geen knaagdieren zoals muizen bij kunnen komen.

Buntgras wordt ook wel pijpenstrootje genoemd, omdat het vroeger als pijpenrager werd gebruikt. Het bloeit in grote pollen op vochtige zand- en hoogveengronden. We komen het tegen in lage heidevelden en langs zanderige wegbermen. Al groeit buntgras dus in het wild, toch mogen we het niet in 't wilde weg snijden. We moeten wel even toestemming vragen aan de particuliere bezitter of aan de betreffende instantie zoals Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten.
Buntgras dien je te drogen en droog te bewaren. Het is in tegenstelling tot stro niet verdeeld in knopen en leden. De blaadjes staan even boven de stengelvoet allemaal bij elkaar. Dit heeft tot gunstig gevolg dat alle blaadjes loszitten als je het buntgras een klein stukje boven de grond afsnijdt. Neem je een bundeltje bij de top, dan kunnen je de blaadjes er gewoon uitschudden.
Buntgras is een prachtig vlechtmateriaal, hoewel de kleur niet zo levendig is als die van stro. De dunne gladde stengels lenen zich bij uitstek voor fijn vlechtwerk. Het is zwaar, sterk en duurzaam, maar ook erg stug of weerbarstig. Het pijpenstrootje is wat stugger dan stro. Om het soepel te maken wordt het pijpenstrootje ook wel eerst geplet met een hamer, geneusd of vochtig gemaakt.

Bindtouw voor bijenkorven (bijeenbinden van strooien bijenkorven) werden vroeger gemaakt van wilgentenen of van doorns ontdane uitlopers van braamstruiken. Deze moesten dan van eenjarig hout zijn, anders waren ze te bros en braken ze snel. Vaak werden die wilgentenen / braamscheuten eerst nog een keer gespleten. Tegenwoordig gebruiken we bamboeband of rotanschil (pitband). Pitband is een sterk, duurzaam en gemakkelijk te verwerken materiaal.

Een bijenkorf gemaakt van stro is erg vergankelijk, zeker wanneer de korf met bijen is bevolkt en aan weer en wind is blootgesteld. De fraaie aanblik is na een paar jaar al verbleekt. Daarom worden de korven vaak ingesmeerd met een mengsel van leem of klei met koemest erdoor en wordt op deze manier de duurzaamheid verhoogd.

Begin februari 2013 zijn wij met 5 personen, allen lid van onze vereniging, gestart met een korfvlechtcursus onder leiding van Tonnie Wielens. Een imker uit Haaksbergen en lid van onze vereniging. De cursus werd gehouden in het gebouw van het IVN aan het Dievelaarslaantje.

Met goede moed gingen wij aan de slag met stro, rotan, een kokertje en een speciale vlechtnaald. Deze vlechtnaalden bleken overigens zeer moeilijk te krijgen en daarom nam Tonnie de moeite om voor ons allen een koperen naald te maken waarvan de punt is dichtgesmolten met tin.


Dag-1: Gereedschap en materiaal
Het eerste deel van de korfvlechtcursus werd gehouden op donderdag 7 februari 2013 van 19:30 tot 21:45 uur. Na de cursus werden er nog twee films getoond over korfvlechten en de andere film ging over korf imkeren.

De korf als bijenwoning heeft een hoogte van 40 tot 50 cm (schepkorf 30 cm) en is ongeveer 33 - 38 cm wijd (schepkorf 40 cm). Het eerste gedeelte van de korf, de kop, is niets anders dan een schaal met kleine bodem die nog niet is afgewerkt.
Een enigszins platte kop verdient de voorkeur, zodat de korf bij het inspecteren van de bijen ondersteboven kan worden neergezet. Wat het materiaal betreft is roggestro voor het behoud van de warmte in de korf het meest geschikt, maar ook buntgras of ander stro is bruikbaar.
We beginnen deze cursus met stro omdat dit makkelijker vlecht dan het pijpenstrootje. Als eerste wordt er begonnen met het gebruiksklaar maken van het roggestro dat beschikbaar werd gesteld door imker Johan Lubbers uit de Hoeve.
We kunnen het stro niet meteen als vlechtmateriaal gebruiken. Er moet nog enig werk aan vooraf gaan: zoals het schonen of schoonmaken van het stro en eventueel gras of (on)kruid eruit schudden. De roggestengels bevatten meerdere knopen of groeischijven, waaraan de lange blaadjes vastzitten.
Je moet het stro dus eerst ontdoen van deze kleine strohalmen. Dit kun je doen door een klein bosje stro door een hark te halen. Je harkt op deze manier de kleine stukjes eruit. We kunnen deze blaadjes er allemaal af halen maar dit is niet nodig, want we kunnen bij het vlechten zelf de blaadjes verwijderen die aan de buitenkant van de strobundel zitten. Zouden we die blaadjes niet verwijderen, dan wordt de korf ruw en missen we de goudgele glans.

Vervolgens worden de aren er af geknipt. Vlecht je deze mee in de korf dan weten de muizen deze ook te vinden en slopen ze daardoor je gehele korf.

 

                             

 


Gereedschappen:

Manchet
De manchet of vlechtring is een rond buisje dat om het bundeltje stro geschoven wordt om het op gelijke dikte en als
  bundel bij elkaar te houden. De manchet is aan de ene kant wat wijder, om het insteken van stro te vergemakkelijken.
  Vroeger gebruikte men hiervoor een hoorn van een koe maar wij gebruiken een PVC-ring. Hoe wijd een manchet moet 
  zijn is afhankelijk van de dikte van het bundeltjes stro, waarmee we fijn of grof vlechtwerk willen maken. 
  Bij deze cursus was de manchet 33 mm wijd.
Schaar
Afknippen van de aren en bindmateriaal.
Hark Uitharken van het stro.
Plantensproeier  
Voor het vochtig maken van het stro tijdens het vlechten.
Emmer water Om de bamboeband hierin te weken.
Vlechtnaald Een vlechtnaald kun je goed zelf maken van een koperen buis. De naald wordt met tin dicht gesmolten om te voorkomen dat hier stro in blijft haken. Het vlechtmateriaal steken we in de vlechtnaald vervolgens kunnen wij er makkelijk mee vlechten.
Duimstok Nameten van de steekcirkel.
  Ring / Diameter steekcirkel [mm]
  5 / 225
  6 / 264
  7 / 280
  8 / 330
  9 / 345
  10 / 365
  11 / 375
  12 / 380    Vanaf ring 12 is de straal R=215 binnenkant mand naar ring 1
  13 / 380
  ..  /  380
  19 / 380

 

Materiaal:

Roggestro Het materiaal waaruit de (Schep)korf gaat bestaan.
Bamboeband     
Het bind- vlechtmateriaal ook wel pitband of vlechtband genoemd, 3 tot 5mm breed
  De glanzende bovenkant komt aan de buitenkant van de bundel te liggen.

 


Dag-2: Vlecht techniek
De eerste avond bestond uit het voorbereiden van het vlechtmateriaal. Op deze tweede cursusavond, gehouden op 12 februari 2013, gaan we beginnen met het vlechten zelf.
Tonnie heeft alvast het voorbereidend werk gedaan en een begin gemaakt met de eerste ringen.

Voorbereiding:
Stop de strohalmen in een vuilniszak en werk vanuit deze vuilniszak. Het werkt makkelijker en geeft geen onnodig rommel als je bijvoorbeeld thuis, in de keuken, wilt vlechten.
Het is bijna onmogelijk om met droog stro vlechten. Het splijt en het breekt dan gemakkelijk. Het moet enigszins vochtig zijn, zodat het soepel wordt. Je kunt gemakkelijk met de hand voelen of het stro soepel genoeg is: als het niet meer breekt is het vochtig genoeg. Voor het vlechten kun je het beste het stro nat maken met een plantensproeier. Na het bijsteken van stro in de bundel maak je telkens de bundel nat met water uit deze plantensproeier.
Voordat men met het bindmateriaal begint laat men deze eerst even weken in een emmer met water. Maak het bindmateriaal niet langer dan 3m anders wordt het te onhandig met het vlechten.

De eerste ring:
We nemen een bundeltje (vochtig) stro. Dan nemen we de (vochtig gemaakte) vlechtband. Vervolgens houden we met duim en wijsvinger tegelijk het begin van de vlechtband en het bundeltje vast, wikkelen er de band enkele malen omheen en trekken de band strak. Zo bindt de band zijn eigen begin vast en wordt tegelijk het stro tot een stevig bundeltje bijeengebonden. De glanzende bovenkant van het vlechtmateriaal wordt aan de buitenkant van de bundel gehouden. De eerste ring is een oog. Het soepele bundeltje is nog dun, maar na de tweede ring wordt het dikker en kunnen we de manchet gaan gebruiken.

Een andere methode voor de eerste ring is:
We nemen een tamelijk dik bundeltje (vochtig) stro en binden er de (vochtig gemaakte) vlechtband met een mastworp omheen. Deze knoop wordt aangebracht op een afstand van ongeveer 8 cm vanaf het begin van de bundel. De mastworp wordt vervolgens strak aangetrokken. Vervolgens wordt het bundeltje spiraalsgewijs rond het beginstuk gewrongen op de plaats waar de mastworp ligt. Deze wrong is de eerste ring. Om hem vast te binden slaan we de vlechtband om de wrong heen. Dan steken we de band onder de wikkeling van de mastworp door en herhalen dit totdat de eerste ronde is vastgebonden. Wanneer de eerste ring zo is gevlochten, steekt het beginstuk van het bundeltje eruit. Deze flos moet naderhand worden afgesneden. Verder steken we de vlechtband onder de reeds aangebrachte wikkelingen van de eerste ring door. Op deze manier houdt het vlechtwerk geen gaatje in het middelpunt over. Mocht de eerste ring wat bultig zijn, dan kunnen we het met een hamer plat slaan.

De tweede ring:
De tweede ring wordt met de eerste samengebonden door de vlechtband enkele malen door het oog te halen. Hoe kleiner het oog, hoe beter anders blijft er in het middelpunt een gaatje over.

Het vlechten:
Nadat de eerste twee ringen zijn samengebonden, moeten we de vlechtnaald gebruiken. Het vlechtmateriaal wordt in de vlechtnaald gestoken. Vervolgens begint men met het vlechten.

Bij het begin van de derde ring steken we de vlechtband niet meer door het oog, maar schuin onder de onderliggende wikkeling. We steken hem vlak onder de vlechtband van de onderliggende wikkeling door en trekken de vorige wikkeling strak aan. Hetzelfde doen we bij iedere volgende steek.
De ringen komen naast elkaar te liggen waardoor de korfschijf telkens iets breder wordt. Het wordt aanbevolen om de eerste drie a vier ringen naast elkaar te leggen waardoor de bovenkant plat wordt.

 

   

  

 


In de bundel kan een knak ontstaan als het stro niet voldoende buigzaam is gemaakt. Deze knak ontstaat gemakkelijk bij het maken van kleine ringen. Het is dan raadzaam een stukje uit te halen en juist op die knak een wikkeling bij te maken. Zo wordt de fout enigszins hersteld.

Bij het vlechten komen er vier nieuwe zaken bij:
1]    Wikkeling (ook wel vlecht of vlechtring genoemd) bijmaken,
2]    Stro bijsteken
3]    Wikkeling aantrekken
4]    Het eind van de oude en het begin van de nieuwe vlechtband vast zetten.

Wikkeling bijmaken:

Dit moet al gauw gebeuren. De ringen worden immers vooral in het begin snel groter. Wanneer de wikkelingen te ver uit elkaar liggen, wordt het geen stevig vlechtwerk. Buntgras knakt gemakkelijk
zonder voldoende wikkelingen, wat afbreuk doet aan de egaal ronde vorm. Een wikkeling bijmaken verloopt heel eenvoudig door de vlechtnaald (met de hierin aangebrachte vlechtband) onder de onderliggende wikkelingen door het stro te steken. Ook is het mogelijk een extra wikkeling bij te maken zonder de vlechtban

d door het stro te steken, dus alleen maar rond het bundeltje stro. Zo moeten we steeds meerderen (aanbrengen van een extra wikkeling) als de onderliggende wikkelingen te ver van elkaar verwijderd zijn.
In fijn vlechtwerk moeten ze naar verhouding dichter bij elkaar liggen dan in een grote, grove korf. Een algemene maatstaf voor de afstand tussen de wikkelingen is de dikte van de strobundel of iets minder.
Zorg ervoor dat de vlechtband niet gaat draaien. Heeft dit plaats gevonden dan moeten de laatste wikkeling(en) eruit gehaald worden, vlechtband goed draaien en de vlechtband opnieuw insteken.
Een ander aandacht punt is dat de wikkelingen netjes boven elkaar komen te liggen. Iedere wikkeling, die we op een verkeerd liggende wikkeling hebben vastgemaakt, volgt zijn voorganger op. Wanneer we deze misvorming in een te laat stadium ontdekken, is er niets meer aan te doen.

 


Stro bijsteken:

Na de tweede ring moeten we stro bijsteken om de bundel op dikte te krijgen en te houden. Voordat we dit doen schuiven we de manchet om het stro op enkele centimeters afstand van de laatste wikkeling.
Houden we de gevlochten schijf frontaal voor ons, dan moeten we van rechts stro bijsteken. Verdeel het stro goed bij het inschuiven en schuif de dikke kant als eerste naar binnen tot in de manchet. Buntgras kunnen we in de manchet steken, maar ook verder. Omdat het stugger is dan stro, kunnen we het tot in de laatste aangetrokken wikkeling steken. Herhaal dit bij het verder vlechten.
De manchet dient iets strak over de bundel te schuiven. Zit de manchet los, dan is dit het sein om bij te steken. Houd de manchet dicht bij de vlecht, schuif deze er niet te ver vanaf.
Maak vervolgens de strobundel soepel. De strobundel kun je ook soepel maken door het losse gedeelte, waar de vlechtring om zit, met twee handen te wringen. Houd de vlechtring tussen de twee handen.
Vervolgens de bundel vochtig maken met water uit de plantensproeier.

 


Wikkeling aantrekken:
Met de rechterhand trekken we aan de achterkant de wikkelingen aan. Bij dit aantrekken is het goed om met de duim en wijsvinger van de linkerhand de vorige wikkelingen vast te houden of om tegen de zijkanten van de pas gelegde wikkelingen te drukken die we nog iets strakker willen aantrekken.
Voordat we de laatste of meerdere laatste wikkelingen aantrekken kunnen we het stro een halve slag draaien. Zo worden de holle stropijpjes dicht gewrongen en ontstaat er een stevige strobundel. Verder moet er voor gezorgd worden, dat er nergens stoppels uit de bundel naar buiten komen. Dit ontsiert het vlechtwerk.

Eind van de oude en het begin van de nieuwe vlechtband vast zetten:
Wanneer het vlechtband te kort wordt, wordt het reststuk vastgezet in de korf. Men knoopt daarvoor het eindstuk, waarmee we de laatste wikkeling hebben aangetrokken, vast aan de onderliggende wikkeling en steek deze, dicht bij de onderliggende wikkeling, door de bundel, van binnen naar buiten, waarna men het reststuk aan de buitenkant afknipt.
Nadat dit is gebeurd gaat men de bolling van de laatste gevlochten ring op het oog weer mooi rond maken. De rechte stukken zijn mooi rond te buigen doordat het stro vochtig is. Vervolgens brengt men de nieuwe, vochtig gemaakte ongeveer twee meter lange, vlechtband aan. Deze wordt vastgeknoopt aan de wikkeling links naast de onderliggende wikkeling en je steek het beginstuk voor de knoop door de bundel van binnen naar buiten waarna men het reststuk weer aan de buitenkant afknipt. Vervolgens kun je het vlechtwerk weer vervolgen.

 


Huiswerk:
Ieder cursist neemt het vlechtwerkstuk mee naar huis met een zak vol strohalmen en vlechtmateriaal om thuis te gaan oefenen. Over twee weken komen we weer bij elkaar.


Dag-3: Vervolg vlechten
Op de derde avond, gehouden op 28 februari 2013, laten wij het huiswerk controleren door Tonnie.
Onder het genot van een lekker bakje koffie en elkaar op de hoogte houden van het laatste nieuws, de straat verlichting was in geheel Haaksbergen en omstreken uitgevallen, werd het vlechten voortgezet.

Met veel zweet is er al een echte schijf ontstaan. Vanaf de 4e  ring gaan we vervolgens de rand opstaand naar

buiten vlechten en moeten we de vlechtband, als we de schijf frontaal vóór ons houden en het bundeltje stro boven zit, schuin naar beneden steken. Door deze steken komt het bundeltje half boven op de buitenste rand van de schijf te zitten. Wanneer we zo drie of viermaal rondvlechten, vormt zich een lage schaal met een naar buiten lopende opstaande rand. Terwijl we de vlechtband aan de binnenkant van de schaal aantrekken, geeft stro meer mee. Om de strobundel toch op de juiste plaats te krijgen, moeten we minder schuin steken.

 

Er werd flink doorgewerkt waardoor er al een echte schaal is ontstaan.
Zijn er voldoende aantal ringen gevlochten waardoor de gewenste buitendiameter is bereikt dan worden de ringen niet schuin naast elkaar maar recht boven elkaar gevlochten dus cilindervormig. De vlechtnaald gaat dan niet meer scheef onder de vorige vlecht door maar nu recht horizontaal onder de vorige vlecht met een beetje stro er tussen zodat de ringen mooi strak tegen elkaar aangetrokken worden. We kunnen niet zonder meer van verticaal naar horizontaal overgaan. De plotselinge overgang is niet mooi. We moeten enkele overgangssteken maken. Zodra we de vlechtband geleidelijk horizontaal insteken, vormt het bundeltje stro de eerste ring van de recht opstaande rand. Als we de schaal nu hoger maken ontstaat er vanzelf een bijenkorf.
Nadat het platform is gevlochten, zijn er ongeveer 15 ronden van 3 cm dikte nodig om de hele korf af te maken. Het is onmogelijk precieze maten te geven. De manchet geeft namelijk niet de dikte van de stro-ring aan. Stro wordt immers tussen de manchet en de wikkelingen in elkaar gedraaid of gedrukt.

 

 


Huiswerk:
Ieder cursist neemt het vlechtwerkstuk weer mee naar huis met een zak vol strohalmen en vlechtmateriaal om thuis verder te gaan vlechten. Over twee weken komen we weer bij elkaar.


Dag-4: Afvlechten
Op de vierde avond, gehouden op 14 maart 2013, laten wij het huiswerk weer door Tonnie controleren. Drie korven schoten al aardig op en kwamen aan het einde van deze avond gereed.

Op ongeveer drievijfde van de bijenkorf hoogte, wordt eventueel een vlieggat aangebracht. Een hoger geplaatst vlieggat is af te raden. In de winter zitten de bijen namelijk niet graag voor een open deur.
Het vlieggat kan op de volgende manier worden aangebracht. Op de plaats waar het moet komen, leggen we eerst een dubbele wikkeling. Vervolgens leggen we de vlechtband niet over de hele strobundel, maar duwen hem vanuit de binnenkant van de korf door het midden van de bundel heen. Pas dan steken we de vlechtband meerdere keren naast elkaar door de onderliggende wikkelingen en ring. Zodra het vlieggat ongeveer 8 cm lang is maken we weer een dubbele wikkeling en vlechten verder als voorheen. De dicht bij elkaar liggende wikkelingen dienen ter versteviging van het vlieggat.
Wanneer we een stukje verder hebben gevlochten, moeten we het niet omwikkelde stro wegsnijden. Hiermee heeft de korf een vlieggat van ongeveer 1,5 cm hoog. Na een ronde bereiken we de plaats waar we het vlieggat aangebracht hebben. Op dat punt moeten we onze strobundel van meerdere dicht bij elkaar liggende wikkelingen voorzien, Dit is de onderkant van het vlieggat.

Zodra de korf hoog genoeg is (bijenkorf 40 – 50 cm, schepkorf 30cm) laten we de strobundel verlopen. De strobundel snijden we nooit af. We moeten minderen door niet meer bij te steken en ondertussen doet de manchet geen dienst meer. Zo wordt de laatste ring steeds dunner en platter om uiteindelijk helemaal te verenigen met de onderliggende ring.
Het hele verloop hoeft niet langer te zijn dan ongeveer een vierde van de omtrek van de schijf. De laatste strootjes kunnen we er gerust afsnijden. Op dat punt leggen we de vlechtband enkele malen tegen elkaar. Tenslotte steken we de overgebleven vlechtband weer van binnen naar buiten en knippen hem af. We maken de laatste ring om schoonheidsredenen het liefst tegenover het vlieggat, door enkele naast elkaar liggende wikkelingen af.
Als laatste wordt de korf in vorm gebracht dat wil zeggen een mooi rond verloop en plat aan de onderkant. Hiervoor kan de korf het beste goed vochtig gemaakt worden met de Plantensproeier.

    

    



Dag-5: Afronding
De vijfde en laatste avond, gehouden op 25 april 2013 is de avond waarop de laatste werkzaamheden aan de korf zullen plaatsvinden. De korven worden schoongemaakt en er wordt geoefend met het begin van het vlechtwerk.

Door de mooie warme lente dag met rond 20:00 uur nog een temperatuur boven de 20 graden werd de laatste avond van de korfvlecht cursus buiten gehouden. Vanavond werden de gereedgekomen, droge, korven afgebrand waardoor men een glad geheel krijgt. Na het afbranden worden de korven nog uitvoerig schoon geborsteld met een zachte handstoffer. Vervolgens steekt men een kurk in het oog boven in de korf zodat de bijen hierdoor niet kunnen ontsnappen.


Soms maakt de vlechter met de vlechtband een soort sierrandje op de laatste ronde van de korf. Dit sierrandje is eigenlijk bedoeld ter versterking van de onderrand, waarop de korf staat en waar hij het makkelijkst slijt.

Over de schepkorf kunnen we kort zijn. Deze is ongeveer 30 cm hoog en 40 cm wijd. Dank zij deze wijdte kan de korf een breed hangende zwerm gemakkelijk opvangen. De schepkorf heeft geen vlieggat, maar op de tamelijk platte kop wel een handvat. De platte kop vergemakkelijkt het zoeken van de koningin, wanneer we een zwerm geschept hebben. omdat de bijen zich over een groter vlak verspreiden.
Als handvat voor een schepkorf kunnen we een stuk touw in de kop van de schepkorf vlechten. Het voordeel van een handvat van touw is dat we de korf, waarin we een zwerm geschept hebben, recht naar beneden op de grond kunnen stoten om de bijen los te maken en over te kieperen in een gereedstaande bijenkast.


Als laatste werd het moeilijkste gedeelte van het korfvlechten geleerd, namelijk het begin van het vlechtwerk.
We nemen een bundeltje stro wat voldoende lang geweekt heeft in een bak met water. Vervolgens gaan we de bundel kneuzen zodat we de eerste scherpe rondingen gemakkelijk kunnen maken zonder dat het stro breekt.
Dan nemen we een stuk vochtig gemaakt vlechtband van ongeveer twee meter, niet korter anders dien je al vroeg over te schakelen op een tweede vlechtband. De vlechtband steken we een eind in de bundel. Vervolgens houden we met duim en wijsvinger het bundeltje vast en wikkelen er de band enkele malen strak omheen. De vlechtband moet strak worden aangetrokken. Zo bindt de band zijn eigen begin vast en wordt tegelijk het stro tot een stevig bundeltje bijeengebonden. Voordat we de eerste ring maken wordt het uitstekende stro aan het begin afgeknipt. Voorzichtig maakt men daarna van de bundel een ronding met een oog in het midden.
Voor het vervolg verwijs ik naar Dag-2: Vlecht techniek,  De tweede ring en verder..